221
de zon: „Dom dichtertje —, ik geloof heusch dat je heimelijk nog steeds jaloersch van dien Berthold bent. En dat heelemaal zonder reden —, want ik geef niets om hem. Waarom zou ik? Hij is precies als alle anderen —, als alle jongens die ik ken, en als de jongens ginds, de broers en de neefjes en de „friends" van de meisjes daar —, die zijn allemaal precies eender als Berthold, de een wat grooter en de ander wat kleiner en de een blond en de ander donker —, maar door elkaar hetzelfde slag. Maar jij — jij, dichtertje. ...” en haar lach klonk helder op en ze greep weer zijn ooren, dat hij haar nageltjes voelde, „jij viel bijna flauw toen je me voor ’t eerst zag, weet je dat wel? —, en je wist niets te zeggen, en je deed heelemaal niet beleefd en correct en vol geestige conversatie —, maar onhandig en boosaardig en jaloersch, brandend-jaloersch —, dat deed je allemaal —, je was bijna lomp, neen, je hoeft zoo beleedigd niet te kijken —, want je mag zoo wezen als je was, en doen als je deed —, je moet zelfs, want je bent immers heel anders dan de anderen —, een dichtertje,” „Maar Berthold is rijk”, zei hij weifelend —, zich onzeker afvragend of hij nu niet iets miszei —, deels omdat hij in alle ernst haar aandacht op een mogelijke toekomst voor hen-beiden wilde vestigen, deels ook uit gretig verlangen, nog meer ten nadeele van den gehate en ten voordeele van zichzelf te hooren. Haar gezichtje stond ineens heel vastberaden, de mond eigenwillig opgetrokken.