220
onervarenheid voelde hij zich voor 't oogenblik ontheven —, hier in de natuur, dreigde hem geen beschaming en geen gevaar, hier mocht hij zichzelf zijn zonder wereldsche gekunsteldheid, hier was hij haar meerdere, haar aangebeden „dichtertje". Hij had het hoofd in haar schoot en hield de oogen gesloten onder de warme neerstraling der zon, hoog boven hen was het fijne geruisch en het klaterklaar geschal, als blijde beurtzangen, haar handjes speelden met zijn haar —, en als om hem te tergen rees voor zijn gesloten oogen, in zijn zalige verdooving, het oude visioen van het jongetje met de favus-kap, dat hij was geweest —, en hij had het gevoel, dat hij haar eerder zijn diefstal van gisteravond, o, eerder een driedubbelen moord zou belijden dan dat. Even kermde hij als door spookselen gekweld, toen wist hfj de ellendige herinnering te verdrijven voor het volle genot van het huidig zoet,
„Als ze het eens wisten, wij hier samen!" juichte Enny,
— „Ja, als Berthold het wist! Was je heusch niet liever hier met hem? Vind je hem eigenlijk niet veel aardiger dan mij?" Hij vroeg het schertsend, maar in zijn hart stak hardnekkig altijd de werkelijke bevreemding, dat ze dien schitterenden jongen niet gekozen had —, en het verlangen, het haar nog eens te hooren herhalen.
Ze greep hem schertsend bij de ooren, bukte tot vlak bij het zijne haar gezichtje, nu rozeblozend van