219
wagen, de leege zitplaatsen een bron van kinderlijk vermaak. Ze plaatste er in haar verbeelding de dwaze oude dames, de onmogelijke knorrepotten van oude heeren, de uitgestreken fatjes op, die ze in haar kostschooltijd had ontmoet —, ze snapte en lachte, daar over eenmaal losgekomen, aan één stuk door en Ben voelde weer hetzelfde heimelijk ontzag als indertijd bij Aart, toen die van zijn reizen vertelde.
Na de sterkgespanneri verwachtingen van zijn slape-looze uren was dit begin bijna een teleurstelling —, de houding van den autoverhuurder en van den chauffeur had hem vooraf al neergedrukt en terwijl Enny zorgeloos lachte en babbelde, zocht hij verdrietig, vergeefs iets van de stemming van den vorigen avond, van die overzoete, eerste oogenblikken —, wèl daarentegen knaagde in hem de ellendige, verlammende, verwenschte vraag ,hoeveel de toer in die mooie wagen zou moeten kosten, en of er wel genoeg zou overblijven voor het samen-eten en de tocht terug —, want zijn vijf-en-twintig gulden schenen hem, nu zij daar naast hem zat in haar kostbare, luchtige klee-rcn, plotseling zoo'n schat niet meer.
Maar in het bosch, in de stilte van den zaligen, zomerschen dag, stilte als een ruime diepe schaal, tusschen zuivere wanden volgegoten met vogel-geschal, in de zoete, warme, reuk van zonbeschenen dennen, keerde de heerlijkheid tot hem weer. De auto was afgedankt, van de vernederende geldgedachten, het verlammend besef van zijn onbeholpenheid en