218
de oogen van den ellendigen kerel, die achter zijn rug maar lachte, lachte —, wat afschuwelijk van hem, daaraan nu het eerst te denken. Zou niet zijn bittere teleurstelling, als ze uitbleef, zwaarder wegen dan de laffe vrees voor den spot van een vreemde, van een knecht!? Hij vertwijfelde, want hij wist het niet. Maar ze was er. Ze droeg luchtig wit, ze was wit geschoeid en had een wuivende witte veer op haar hoed —, en nu hij haar zag, na zich voortdurend armhartig en klein te hebben gevoeld, leek het hem nauwelijks geloofbaar dat ze om hem hier was gekomen; zóó koninklijk mooi en fier was ze, dat de beide mannen onmiddellijk hun lachen staakten, de chauffeur, terug naar de auto, daar in stramme houding, het gelaat onbewogen, de oogen neer naast het portier ging staan —, en toen zij met haar hooge, onbevangen stem riep: ,,0, jongen, waar heb je die malle, groote auto opgeduikeld?" lachte de man ook even, maar niet meer geringschattend en spottend, doch vaderlijk-goedig als om de onhandigheid van een jongen, linkschen knaap, Ben's zelfvertrouwen en trots stegen, nu zij bij hem was, en de beide mannen zoo zichtbaar onder den indruk van haar verschijning —, maar hij voelde ook wel, dat zij hem beschermde en niet hij haar —, en het hinderde hem toch, dat diezelfde vlegelachtige chauffeur van zooeven, nu ineens de gladde onderdanigheid wist te vertoonen van een gedresseerde heerenknecht. Maar het weer was heerlijk en voor Enny was de ruimte in den