216
goed, koek en „gedachtenisjes", eindelijk de garage.
Hij had even te voren zijn portefeuilletje uit de binnenzak van zijn jasje gehaald, zich vergewist dat daarin nog het bankpapiertje stak, het zilveren kleingeld in de broekzak —, zich het belachelijke en armoedige van dat overbodig onderzoek wreed-fel bewust, nu stond hij met trillende beenen, en duizel-licht hoofd naast den verhuurder, die eerbiedig aan zijn pet had getikt, en hem uitvoerig onderrichtte over elk der vier wagens, die hij te verhuren had. Was het voor velen? Alleen voor mijnheer en zijn dame? Dan kon hij vooral die kleine, grijze aanbevelen, een handzaam karretje, wel niet schitterend van uiterlijk, maar licht in 't gaan en geruischloos en zuinig in het gebruik. Doch Ben luisterde maar half, zijn lust had zich gretig vastgezet op een weidsche donkerblauwe auto, nieuw gelakt, hij was er niet van af te brengen, met die prachtige wagen wilde hij Enny van den trein gaan halen. De verhuurder zweeg beleefd, even de schouders ophalend, hem bevreemd aankijkend van ter zijde, zoodat Ben gloeiend rood werd en plotseling den indruk kreeg, dat de man hem ineens niet meer vertrouwde. In dien indruk werd hij versterkt nu hij hem, half verborgen achter de winkeldeur, tegen een knecht, die terwijl een linnen chauffeurs jas aanschoot, een linnen pet van de kapstok nam, fluisterend en nadrukkelijk zag praten, met een schuinen blik op hem, die de chauffeur met een geruststellend hoofdknikken en een