215
als in een heete bloedgolf, die zijn hart door zijn lijf joeg, nu hij opstond en uitstapte op ’t landelijk stationnetje van een dorp waar hij nog nooit was geweest. Enny had hem beduid, waar een garage was, hij moest haar met de auto van den trein gaan halen. En nu hij, onder de traag omhoogrijzende sluitboomen door, den spoorbaan overgestoken, op den stillen, breeden straatweg liep, tusschen twee rijen van bloeiende lindeboomen, bijkans alleen, en rondom zich hanengekraai hoorde uit de hoeven in de weiden aan weerskanten van de koele laan en de zonnige sloot —, nu voelde hij zich vrij en fier met zijn vijfentwintig gulden en den dag in ’t verschiet, van haar bijzijn vol, als een koning. Hij groette genadig de boeren, die mompelend aan hun petten tikten en toomde zijn snelle gaan, als naar een doel, voor een langzaam, genietend slenteren. Hij had immers allen tijd —, daar was het dorp al, de uitspanningen met glasveranda’s en roode rolgordijnen, in hun lommer-tuinen, aan weerszijden van den weg, het tolhek, de toren op den achtergrond, kleine villatjes, waar in de voortuintjes op het gras spichtige jongedames in witte blousjes zaten te ontbijten met preutsche mondjes, keurig de theepot hanteerend, en die hem nakeken, elkaar opmerkzaam maakten op zijn voorbijgaan, een rentenier met een kalot en een pijp, welgedaan en tevrêe in zijn tuintje vol boerenbloemen, een kippenhok in roofburcht-stijl tegen den gevel van het lage, gemoedelijke huis —, winkeltjes met licht zomer-