213
vreugde en geestdrift in zichzelf gewaar —, aisof in den slaap zijn weerloos wezen was beslopen door al de bezwaren en lasten van zijn bekrompen, onvrij arme-jongens-bestaan. Hoe veel zwaarder scheen hem thans, terwijl hij benepen-rillend op bed zat ineengedoken, zijn besluit om den heelen dag van school weg te blijven, dan in de geestdriftige zorgeloosheid van den vorigen avond, die hem boven het leven scheen te hebben uitgetild. Het duurde echter niet lang —, toen was het als werd er binnen in hem een blad omgeslagen, plotseling althans viel de bekommering weer van hem af, een warme golf rees naar zijn hart, overspoelde zijn heele wezen — en zelfs het besef, dat hij voor de vreugde van dezen dag zou moeten boeten, verkeerde zich in zoete martelaarsvreugde —, doch een nieuwe golf zette achter de eerste op en weer namen bekommering en angst bezit van zijn gemoed —,
Veel te vroeg sloop hij door stille buitenwijken naar het station, beducht voor ontmoetingen, klam zweetend bij de gedachte aan het vervaarlijk-ongehoorde, dat hij dorst bestaan —, doch eindelijk in den trein, wegreizend terwijl elkeen naar school ging, tegenover een statigen ouden heer, die na hem was binnengekomen en zijn hoed had gelicht, in de eerste-klas-coupé — hij had wel derde kunnen gaan, Enny kwam pas drie kwartier na hem met een anderen trein, maar hij wilde van den aanvang af zijn droom van onbekrompenheid leven — wierp hij voorgoed