212
van zijn eigen lot ontwierp —, en op dat zalig* smartelijk zelfbeklag liet hij zich gaan —, totdat opeens zijn hart als opsprong van overstelpende vreugde: er was geld in huis, geld dat vader van oom Jozef in bewaring had, om mee te nemen naar tante Rebecca, aan wie oom Jozef het verschuldigd was, die het hem had uitgeleend buiten weten van haar man en aan wie het dus niet kon gezonden, maar ter hand gesteld moest worden. Het moest iets meer dan vijfentwintig, wel bijna dertig gulden, zijn, hij kon het nemen, hij wilde het nemen, hij wist het te liggen, niemand zou er armoede om lijden. En hoe het terug te geven, later? O, daaraan niet denken nu. Al te wreed, al te lang had hij het hart van zijn lieflijkheid afgetrokken —, hij smachtte om er naar terug te keeren, zich erin weg te graven, zich ermee te over-stelpen, de volheid van naproeven en verwachten ongedeerd te smaken. Hij klom de trap af en sloop in donker naar beneden; hijgend, licht van hoofd liet hij zich even later weer terugvallen in het kussen, het geld stijf in de handpalm, van zijn zorg ontheven, de onheilvol dreigende gedachten aan de gevolgen van dit en van zijn schoolverzuim, terugdrijvend met de overweging, dat de afgeloopen avond en deze nacht en de morgen in het verschiet bij voorbaat tegen alles konden op wegen. Na een korten, ruste-loozen slaap in den nuchteren morgen —- het was nog niet later dan half zes — wakker geworden, werd hij tot zijn schrik meer bekommering en angst dan