211
en ijver, die eenmaal zijn verheugenis, later de kern van zijn bestaan, de weg naar zijn bestemming was geweest —, die keurde hij nauwelijks een gedachte waardig. Voor geen feestelijkheid had hij ooit verlof gevraagd, aan geen hoofdpijn of lusteloosheid ook maar één schooltijd of iets van zijn huistaak opgeofferd —, nu ging hij zonder aarzeling, zonder overweging breken met zijn oude gewoonten van ijver en lijdzaamheid; wat hem tot nu toe ondenkbaar zelfs had geschenen, was plotseling de natuurlijke handelwijs, het aangewezen gedrag —, zooals hij met alles zou breken, ieder nieuw ding als natuurlijk en voorgeschreven voelen, zoodra zij het hem zou hebben opgelegd en gevraagd. Maar het geld —, het ellendige, vernederende geld. Waar het te vinden? Wien het te vragen, hoe het te stelen? Morgenochtend vroeg naar meester Becker —, die zou hem wel vijfentwintig, dertig gulden leenen. Hij rekende niet zóóveel noodig te hebben, maar hij wilde rijkelijk voorzien zijn voor allen nood. Doch kon hij den meester vertellen, wat hij van plan was te doen, in plaats van schoolgaan? En mocht hij Enny verraden, haar in opspraak brengen? Hoe afzichtelijk was dat, dat hij nu zijn heerlijkste gedachten ontluisteren, zijn gewijde uren bezoedelen moest met die ellendige, lage zorgen om een onnoozele vijfentwintig, dertig gulden, In zijn hart vond hij vijfentwintig, dertig gulden zoo „onnoozel" niet —, maar zijn romantisch zelfbeklag wilde het aldus zien voor de volledigheid van het droevig beeld, 't welk hij zich