210
huren en samen te eten —, dingen, waarvan hij de kosten zelfs niet ramen kon, maar die fabelachtig moesten zijn, Hoe aanbiddelijk was dat! Ze wist, dat hij doodarm was maar haar goddelijke eenvoud kon het algemeene, het bijna romantische van „armoede” niet vereenzelvigen met het bijzondere, het ellendige en vernederende van „geldgebrek”. En het zonderlinge was, dat hij zelf ook terugkromp voor die vereenzelviging —, dat hij haar met zijn sombere, zwierige fierheid had gezegd: „Meisje, ik ben arm” —, maar dat hij nooit zou durven haar bekennen „ik heb geen geld om een auto te huren en om samen te gaan eten,” „Ik ben op een armenschool opgevoed” was zijn volgende belijdenis geweest en zij had gezegd „arme, arme dichtertje, jij!” en zich naar hem toegebogen en hem gekust en een dichtregel gefluisterd over „een prinsje, opgegroeid met knapen van de straat” en ze hadden beiden bijna geschreid om de hardheid van zijn lot —, maar zou hij haar langs de school durven brengen en zeggen: „met die schreeuwende, vuile, onooglijke kinderen heb ik in de klas gezeten en ik was de vuilste en onooglijkste”?
Even maar bleef zijn denken aan die verwonderlijke tegenstrijdigheid vast —toen vloeide het alles uit tot verrukking, maar daaronder bleef de vale angst gelegerd, hoe hij aan geld moest komen voor Enny’s plan van den volgenden dag, De school, waar hij trouw, zonder verzuim, nu bijna vijf volle jaren lang dag aan dag was heengetogen, vol leerzaamheid