209
dorp gaan —, en daar een auto nemen en een heel eind rijden —, daar was bosch en hei, een heerlijk land om te zwerven en alleen te zijn. Dan zouden ze in dat verdere dorp blijven en daar samen eten, en pas 's avonds thuis.
Duizelend luisterde Ben naar wat zij als iets doodgewoons rap-weg voorstelde, maar wat voor hem, buitensporig, onwezenlijk haast, klonk als een sprookje. Met een auto — op reis — samen eten in een vreemd dorp —, en hij, hij moest naar school, en hij, hij had geen geld! Maar op het oogenblik dat hem dit alles door het hoofd ging, schold hij zichzelf een stumper. Wat maalde hij om school en aan geld zou hij wel komen.
Hoe aanbiddelijk was zij! Ze had gezegd, een uur geleden, toen ze tezamen onder de boomen lagen: „dichtertje, ik hou van je" —, en hij had geantwoord: „meisje, ik ben doodarm” —, hij genoot in het herdenken nog den zwierig-somberen klank van zijn eigen stem: „meisje, ik ben doodarm".
En zij, het verrukkelijke kind? Ze had in de handjes geklapt en geroepen: „heerlijk dat je arm bent —, het maakt je tot zoo iets bijzonders, Ik heb nog nooit een „armen jongen" als jij ontmoet — ik dacht, dat het alleen maar in de romans voorkwam en dat in de werkelijkheid alle arme menschen dom en ruw en grof waren," Dat had ze gezegd en even later praatte ze over een reisje te maken en een auto te
14