208
geur zweefde haar vooraf —, en toen ze bij hem was, verstond hij haar stem.
„Dag dichtertje/'
Hij was zijn bezinning kwijt, zijn adem hokte, geen woord kwam tot hem, geen gebaar vond hij —, plotseling viel hij haar op de knieën te voet en omvatte haar sprakeloos.
Zij lachte, ook in dit oogenblik volkomen kalm en beheerscht, ze bukte zich naar hem over en raakte met haar koele handjes zijn wangen aan. Zenuwtrillingen, scherp en schokkend als stuipen, voeren hem door de leden, hij slaakte haar knieën uit zijn omvatting en liet zich weer neervallen in het zacht-donkere mos.
Hij wist niet hoe hij had gedurfd en gemoogd, hoe het was gegaan —, even later zat hij leunend op tegen den boom en hield haar in zijn arm, en had haar gekust en kuste haar weer en kon niet aflaten haar te kussen. Ze lachte nu niet meer, maar leunde droomerig en zacht tegen hem aan —, even maar, toen was ze weer overeind en had haar bezinning terug.
„Luister eens, dichtertje", ze lei de handjes op zijn schouder, „nu moet ik gauw weg, maar morgen, voor morgen heb ik een zalig plan."
En ze vertelde hem, hoe zij eigenlijk morgen naar een oude, saaie tante moest in een kleine stad, een half uur sporen ver —•, maar ze wilde niet —, ze wilde met hem den heelen dag van morgen samenzijn. Ze moesten beiden op eigen gelegenheid naar een verder