207
naar de laan en liet zich als doodmoe en dronken onder de boomen neervallen, sloot de oogen en zuchtte zwaar, Er hing in duister een geur als van pioenen; op zijn armen rustte zijn hoofd —, zijn beenen lagen over het zandpad —, hij voelde zijn leden niet leven, alle bestaan was samengetrokken in verwachting —, denkend aan het halfuur dat hij te doorleven had, voordat ze kwam, trok zijn mond zich samen als van iets onafwendbaar-wrangs, hij nam zich voor stil te blijven liggen en de dofheid van dat eerste oogenblik als verlossing en ontspanning in zich te behouden —, maar onrust kroop in hem op, prikkelde hem over de huid —, hij sprong overeind op zijn voeten, leunde tegen den stam waaronder hij had gelegen en staarde met brandende oogen in het donker voor zich uit. Een klok sloeg half elf en zijn hart bonsde op bij eiken slag. Zou hij haar ooit mogen kussen? Vanavond niet —, maar later —, veel later —, misschien over een jaar als hij geduldig en trouw was —, zou ze hem dan toestaan haar te kussen?
Ze kwam en sprakeloos liep hij haar tegemoet. Over het bleek violet japonnetje droeg ze een kort, wijd manteltje van goudbruin laken —, de kap ervan had ze over haar hoofd getrokken, over het edele blank van haar gezichtje, waarin de mond donker en scherp samengetrokken het donker leek te doorvorschen, de oogen groot en als lichtend —, ze kwam voorovergebogen en snel onder de boomen aan, de viooltjes-