206
die woorden, elk gebaar te beheerschen, eiken blik te bedwingen, terwijl het in haar toch even machtig als in hem moest beven en golven. Hij wist nauwelijks wat hij zei, wat hij Aart moest antwoorden, die bewonderend over zijn verzen sprak, die met nieuwe Engelsche poëzie, hem door een Londenschen kennis gezonden, aandragen kwam, zich aan diepzinnige opmerkingen waagde. Wel voelde hij zich als doorschoten van felle flitsen van meerderheidsgevoel, nu voor ’t eerst, tegenover dien fijnen, maar zwakken, blonden jongen —, als de dichter tegenover den liefhebber, O, ja, Aart had beschaving en smaak —, maar niet dien innigen kern van dieper menschelijkheid, die hij in zichzelf gevoelde te hebben blootgelegd. Doch maar even kon hij daaraan denken. Heete stroomen doorschoten zijn lijf, nu hij zich telkens weer de woorden te binnen bracht —, hij zat diep in zijn stoel, vreemd starend, strak glimlachend, het vermijdend haar aan te zien. Hij keek den tuin in, waar het duister broedde onder de boomen, en geschuifel, als van zware regendroppen, hoorbaar was in het zware zomerloof, Ook stemmen, die als van heel veel verder klonken.
En straks —, om half elf, dan zou hij Raar vinden in dien smallen gesloten lommerlaan, achter hun tuin —, wat v/achtte hem dan? Haar bijzijn, haar dicht-bijzijn en dat wat ze hem zeggen zou —, het te denken v/as verblindend als te fel licht ,vlijmend-zoet als de klank van die klarinet in de volle maan.
Om tien uur nam hij afscheid —*, liep rechtstreeks