205
kaken klapperden als van kilte of koorts —, zij was opgestaan en kwaüi naar hem toe —, haar japonnetje ruischte, een zoete geur als van vroege viooltjes ging haar vooraf.
„Mag ik nog even zien?”
Hij reikte haar de blaadjes, zijn handen waren machteloos, ijskoud, zijn keel droog — toch was het hem, als had hij haar komen verwacht en verwachtend gedraald. Hij hoorde nu zelf het zware hameren van zijn hart, slag op slag —, wat zou ze doen, wat zou ze zeggen, nu ze haar eigen naam las? Het duurde maar een oogenblik, toen zag hij haar oogen blinkend vlak bij zich, een zucht was haar ontsnapt, in een glimlach lieten haar lippen de witte tandjes bloot, snel, schichtig keek ze even om zich heen —, haar moeder naderde met zwaar geruisch van haar satijnen japon —, toen verstond hij in een zoeten vleug van haar adem de woorden, die hem verbleeken en bijna bezwijmen deden:
„Straks om half elf in de laan achter het huis.”
De moeder naderbij komend, vroeg minzaam óók de blaadjes te mogen inzien —, maar ondanks zijn verwarring, waarin hij nauwelijks gedachten en woorden vond om zich te verontschuldigen, wist hij dat te beletten, sidderend nu hij de mogelijkheid overdacht, dat zij Enny’s naam had gezien en hij hen-beiden door zijn onbedachtzaamheid verraden.
Hoezeer bewonderenswaardig was zij. Zoo daar weer te zitten, glimlachend, schijnbaar-onbevangen, na