204
verliet —, zij alleen beschikte over zijn geluk en zijn leed, maar zij dan ook geheel, zij volkomen en zonder voorbehoud.
Bijna kon hij niet voorlezen van ontroering.
„Aan een meisje” heesch klonk zijn stem en hij zuchtte diep, hij dorst haar niet aanzien. Rechtop stond hij onder een eenzaam brandende lamp —, zij zat roerloos op haar plaats bij de open deuren —, met haar glimlachje, ’t gezicht hall afgewend, de oogen en den mond zoo gretig naar de geuren en het nachtgeruisch uit den donkeren zomertuin.
„Aan een meisje”, herhaalde hij, vaster —, en hoorde Aart murmelen: „met een blauw japonnetje” en trilde van drift, en werd wit, nu Aart weer op Juutje zinspeelde, op dat kind dat hij had verjaagd, aan wie hij niet meer dacht -—, en nu hij meende te begrijpen, wat Aart daarmee bedoelde: hem zacht-hoog-hartig zijn plaats wijzen in zijn eigen kring. Hij las niet verder en keek Aart aan, die argeloos even had gelachen, nu schrok van de uitdrukking op Ben’s gezicht, meende dat het was om de stoornis en schuldbewust zweeg.
Hij bleef afgewend, trillend staan bladeren bij het tafeltje onder den eenzamen lamp, het schemerde voor zijn oogen, hij wist nauwelijks wat hij deed —, met zooveel kracht en hartstocht had hij gelezen, dat hij vreesde, zichzelf te hebben verraden en niet om-of opzien dorst.
Toen begon hij opeens nog heftiger te sidderen, zijn