202
trots en triomf. En Aart vroeg hem, of hij al weer nieuwe dingen had voltooid,
„Ja —, en betere dan deze", antwoordde Ben —, op maar één ding bedacht: weer gevraagd te worden om ze voor te lezen, zijn hart klopte en hij had het gevoel dat de ander het sidderen van zijn gezicht moest zien, Maar Aart zag niets en zei rustig: „Kom ze dan eens bij ons lezen, wil je? We zullen Berthold van Herwerden dan niet vragen —, moeder mag hem heel graag, maar bij Enny schijnt hij ten slotte toch niet in den smaak te zijn gevallen, ’t Leek anders of ze nogal opschoten, dien eersten avond, vond-je ook niet, of heb je er niet op gelet? —, maar met meisjes —, je weet eigenlijk nooit waar je aan toe bent,"
Het hart danste hem in de borst —, en toch voelde hij nu teleurstelling, omdat Berthold niet kwam —, hij had gewild dat hij die verzen hoorde, hij had voor zijn oogen willen triomfeeren —, hij had zich al halfbewust, vaag-omlijnd een felle tragedie van doode-lijken haat en heete rivaliteit gedacht —, vol diepen zin, waarin de arme Jood zou zegevieren op den zoon van ouden adel —, hun botsing op het schoolplein van verleden jaar leek hem daartoe de inleiding, het meeningsvolle voorspel —, tusschen zijn liefdevlam voor Enny, en zijn jaloerschen haat tegen Van Herwerden scheen een geheimzinnig verband te liggen, telkens wanneer hij aan haar dacht —, was het als zag hij Van Herwerden op den achtergrond van zijn geest, vernederd, overwonnen, door hem,