201
den spiegel naar hem —, en dat ze haar nu van hem afhielden, dat ze hem daarom niet meer vroegen — maar dat zij evenzeer verlangde naar hem als hij naar haar.
Dan dreven zijn oogen in tranen en zijn hart zwol van romantisch zelfbeklag —, hij voelde zich vervuld van een nobel leed, dat hem ver boven zijn dagelijksch bestaan en zijn dagelijksche omgeving verhief.
En in die stemming dichtte hij verliefde klaagzangen „Aan een meisje" —, met sierlijke Latijnsche motto's erboven, en achter het opschrift heel klein: aan E. v. E. Hij las ze luid in den nacht als alles sliep in huis, tot zijn adem zich verwarde en hij hijgend tranen stortte van aandoening en zelfbeklag —, hij prentte ze in zijn geheugen, prevelde ze halfluid op zijn weg naar school, tot hij er geheel van doortrokken was en in elk gerucht rondom zich hun klank en val vernam. In diezelfde dagen waren juist zijn eerste dichtproeven — twee uit een keus van twintig had de redacteur er genomen — in een klein tijdschrift gedrukt, het ontvangen van de aflevering gaf hem een ongekende vreugde en toen hij het '$ middags aan tafel zijn vader en moeder liet zien en vader het driftig en geringschattend op zij schoof, sprak hij geen woord, maar glimlachte, bitter en fier.
Op school, in de klas werd erover gesproken, met bewondering, met benijding —, hij liet het zich aanleunen, uiterlijk onbewogen, inwendig in een gloed van