200
hem een schok gegeven, toen hij hoorde dat Juutje zonder afscheid was vertrokken.
Doch meestentijds werd hij door de gedachte aan Enny zoo in beslag genomen, dat hij nauwelijks bemerkte, wat er rondom hem voorviel —, en toen de anderen bemerkten, dat hij stomp bleef voor hun zwijgen zoo goed als voor hun spreken, voor hun tranen en voor hun verwijt, eindigden ze met de ui terlijke blijken van hun woede en teleurstelling. Maar de scheur kon niet meer geheeld worden, een koelheid bleef er tusschen hem en zijn gezin.
Meester Becker alleen koos zijn partij, trachtte hun op zijn plechtstatig-bespiegelende wijze uit te leggen, waarom Ben niet anders had gekund dan hij had gedaan —, dat ze fier moesten zijn op een zoon, die zooveel karakter toonde, in plaats van het hem moeilijk te maken —, maar er werd niet naar hem geluisterd. Vader hoorde het aan met een ontstemd, onverzoenlijk gezicht, Bekkie liep met veel vertoon de kamer uit als om niet in lachen uit te barsten —, en Ben zelf voelde zich benauwd om de lof, die hem niet toekwam: hij was immers verder gegaan met Juutje dan de brave meester vermoedde —, en niet zijn „karakter” had haar ten slotte teruggewezen.
Dagen lang zag hij Enny niet —, dorst niet naar haar vragen, geen poging doen weer te worden gevraagd in haar huis. Soms stelde hij zich voor, dat ze iets gemerkt hadden, Aart en haar moeder en die hatelijke Carel, haar oudste broer, van haar kijken in