199
ding van een kleine rijksdaalder! Maar hoor toe, hij zal 't je teruggeven!”
,,'k Heb er drie-vijftig voor neergelegd. Maar ’k wil niks terug hebben”, had Juutje gesnikt, „hij had alles van me kunnen krijgen, wat z’n hart maar had begeerd,”
Bekkie had haar toen de belofte willen afdwingen, dat ze evengoed nog eens gauw bij hen terug zou komen —, maar Juutje had niets beloofd —, alleen gesnikt, den dag daarna was ze naar haar vader vertrokken.
Toen David Henderson dat was komen zeggen, had vader pas goed tegen hem opgespeeld, hem de lang opgekropte bittere verwijten gedaan —, gezegd dat ze altijd vóór hem waren geweest en dat hij nu tegen hen allemaal was, tegen zijn vader en moeder, tegen zijn zusjes. Wat hadden ze al niet gekund met Juutje’s geld —, en op haar vaders kosten had hij mogen studeeren —, op zijn gemak, op zijn dooie gemak —, ze zouden een winkel hebben kunnen koopen, geen prutsding, maar een echte, degelijke zaak. En nu, moest hij, arme oude man, van weekmarkt naar weekmarkt trekken en Saartje zou geen cent bruidschat hebben en moeder grijze haren voor haar tijd, Zoo’n kans kwam maar eenmaal in je leven, en die had hij vergooid. En dat was de dank..., Beurtelings woe-dend-driftig en sentimenteel-klagend, had zijn vader tegenover hem gestaan —, en het was Ben moeilijk gevallen zich goed te houden, Ondanks alles had het