194
smaus en blijf je de smaus —, al hang je hier nou nog zoo hard de verschwartzte nar uit.”
Bekkie, haar bitter leed vergeten, viel met heftig betuigend knikken haar vrijer bij —, vlamrood was Ben opgesprongen.
„Als jij nog een woord tegen mij zegt, jij aap, jij onbenullige lummel, als jij nog een kik durft geven —,
dan trap ik jou het huis uit. Versta je dat? Versta
je dat?”
Ineens kwam er leven in den vader, die tot nu toe in zijn gramstorig-gelaten houding was blijven volharden. Woedend keerde hij zich tot Ben, in waardigheid en gezag gekrenkt.
„Wie trapt er hier de deur uit, kereltje? Trap jij
hier iemand de deur uit —, uit de deur van mijn
huis?”
„Aardige gotspe-ponem, die jongen!” gromde „oome” Levie, halfluid tegen zijn vrouw, „durft me heel wat te zeggen in zijn vaders huis.”
„Dat’s me verjaardag, dat's me gebenschte verjaardag”, kermde Bekkie opnieuw, nu haar vrijer zweeg, haastig in haar rol terugvallend.
De anderen zwegen eveneens, tante Rebecca schoof ongemakkelijk, zwaar zuchtend op haar stoel heen en weer. Het was warm als in een oven.
„Heet vandaag”, vond tante, wie *t langer zwijgen blijkbaar boven haar macht ging.
„Zes-en-tachtig graden in de schaduw”, zei dikke Sam in conversatietoon, waardig, „hebt u in de krant