193
ondraaglijk. Hij zocht naar woorden, maar het raasde verwoed in zijn hoofd, hij trachtte zich een houding te geven, maar wist niet hoe en wat —, dof viel hij bij de tafel neer.
Ze zwegen, als bij afspraak elk in zijn houding volhardend.
„Er schijnt hier iemand jarig te zijn”, kwam Ben dan weer, scherp-spottend, met moeite het zenuwachtig beven van zijn mond bedwingend.
„Ja, dat schijnt wel zoo”, zei zijn vader.
„Jullie zetten er anders tamelijk wel begrafenisgezichten bij”, antwoordde hij, grauw-wit van blakende opwinding.
„Jij hebt een aardigen brut alen mond tegen je vader, Bennie!” maande tante Rebecca.
„O, vindt-u?”
Zijn spot klonk nu natuurlijker, het zenuwtrekken rondom zijn mond bedaarde —, voelend dat hij den toestand beheerschte, werd hij kalmer, toen Bekkie ineens met groot vertoon van bitter leed begon te snikken. „Dat’s me verjaardag, dat’s me verjaardag.” Logge Sam voelde zich nu verplicht, een woordje in ’t midden te brengen.
Woedend schoot hij uit naar Ben:
„Weed-je wat jij bent, weed-je wat jij bent — jij met je geleerde kop —, met je geleerde kop ben jij een reuzen-stuk ongijn —, om je zusters verjaardag te verschteeren —, en je rijkeluisvrindjes d’r hielen te likken. En toch spugen ze op je, toch ben je de
13