191
zijn hoofd stond naar bezinnen, waar hij ,,an vergeten had”, wist hij niets dan een zenuwachtig, bits „wat bedoel je eigenlijk, wat moet je eigenlijk?” uit te brengen,
„Maar Bennie —, wat is er? Weet je niet.... je zuster is toch jarig, Bekkie is toch jarig vandaag! En je hebt er heelemaal an vergeten! En ze zitten bij je thuis in één verschteering, En daarom ben ik je tegemoet geloopen, dat je dadelijk an Bekkie felici-teeren kan, als je komt —, en dan excuseeren ze je wel om je geleerde hoofd, en dan moet je niet zeggen, dat ik je deran onthouden heb, hoor je Bennie, want dan is er geen gijn meer aan.”
Ben antwoordde niet —, hij barstte in zenuwachtig schateren uit —, dat in verwoed, wanhopig snikken dreigde over te gaan.
Hevig verschrokken keek Juutje naar hem op —, maar hij zei niets en zij dorst niets vragen, zoo bleek, den mond vertrokken in een grimmigen spotlach, het voorhoofd zwaar bezweet, had ze hem nog niet gezien —, ze bleef zwijgen, bang, benauwd, met moeite zijn stappen bijhoudend ,in het ellendig besef dat hij haar zelfs niet meer zag, niet wist, dat ze naast hem ging, tot vlak bij zijn huis.
Toen deed plotseling zijn stem, schril en hoog, haar opnieuw opschrikken.
„Ga alsjeblieft niet gelijk met mij naar binnen.” „Goed —, dan ga ik naar huis”, zei ze bevend, schuw,