188
de plooien van het teergroen soepel japonnetje, Wat was ze rank en fier en bijna onwezenlijk mooi en teer, met dat edel-blank gezichtje onder den rosgouden glans van het haar, en het halsje, warm-wit en tenger, als trillend van leven. En dan te midden van de verrukking, die dat in verbeelding aanschouwen en omtasten hem schonk, sloeg een golf van wanhoop over hem heen: was het denkbaar, kon het wel mogelijk wezen, dat ze naar hem gekeken had —, was het niet alles ijdele waan in hem, holle betoovering, aanmatiging en de verbeelding van een zieken, overspannen geest? Zij naast dien stralenden, mooien, eleganten jongen, den zoon van een baron, rijk, welbespraakt —, zij, met dien jongen bij zich om haar te vleien en te verstrooien —, in de spiegel kijkend naar een armen Jodenjongen —, den eersten avond dat ze hem zag en nadat hij had gebogen als een boer, geen woord had weten uit te brengen, zichzelf veracht om zijn onbehouwenheid? Zij had hem niet veracht —, want dat ze naar hem had gekeken in de spiegel, het was immers niet te ontkennen* maar een ontzinnend, verbijsterend feit, waardoor het heele leven en hij-zelf op slag van gedaante en wezen was veranderd.
Dan jubelde het weer in hem en zijn keel voelde zacht omspannen, zoet vervuld als proefde hij bloemen, een oogenblik —, en weer een nieuwe wolk klom in hem op, zwaar, zwart en schoof zich voor het zonlicht en liet hem kil-rillend in pijn en afgrijzen.