187
een gevoel van verwachting, alsof die hem iets te zeggen of over te brengen kon hebben, omstrikte hem, schoon hij het ongegrond wist, en hij haastte zich weg uit huis, zonder eten, zonder zich aan iemand te ver-toonen, en keek hunkerend uit naar zijn vriend, die haar broer was, Hij bracht toch iets —, de betuiging van haar ingenomenheid met zijn verzen-zeggen.
„Moeder was ook bepaald in de wolken. Het speet haar, dat je niet wat langer bleef.”
„Speet dat je moeder?” vroeg hij —, zichzelf kinderachtig vindend, om zijn dwaze hoop, dat Aart nu zou zeggen: het speet Enny ook.
„Ja, het speet haar”, antwoordde Aart enkel, wat bevreemd, dat hij die eenvoudige mededeeling nog eens herhalen moest, „ze vroeg of je eens gauw terug kwam en dan wat eigen werk meebracht.”
„Is Van Herwerden's product nogal in den smaak gevallen?” trachtte hij onbevangen te vragen.
„Neen, niet bijzonder”, bekende Aart eerlijk, „ze vonden het nogal leeg en pompeus.”
Ben gloeide van vreugde en triomf, die hij echter verborg.
Dien geheelen dag voelde hij zich gedragen door een zachte opgetogenheid —, en voortdurend weer bracht hij zich alles wat er den vorigen avond was voorgevallen, in het geheugen terug —, het was zoo vol en zoo zoet, nog eens weer in verbeelding den blik te genieten, dien ze hem toegeworpen had —, haar oogen te zien, en de handjes, schuil onder kant, in