186
zich evenmin door wat gebeurd, tot haar verplicht. Eergisteren-avond nog, bij het slapen gaan, had hij er zich rekenschap van gegeven —, dat er toch geen ontkomen aan was, dat hij toch zou moeten wijken, dat ze binnen een jaar verloofd en binnen een paar jaar getrouwd zouden zijn —, en hij had zich voorgehouden, dat hij zich met die gedachte moest zoeken te verzoenen, dat zijn vage wenschen niets waren dan de onbestemde hunkeringen van een weifelzieken geest, door geen enkel ding te stillen, Nu wist hij beter —, en nu zou hij oprecht zijn, vandaag nog zouden ze weten, waar ze aan toe waren, vandaag nog zou hij den band verbreken. Ze zouden klagen en vloeken en schreien en bezweren, ze konden allemaal komen, zijn vader en moeder en Bekkie en Sam en tante Rebecca en „oome" Levie —, hij zou het onbewogen, marmer-koud langs zich heen laten gaan —, geen woord zich laten ontlokken over wat hem tot een zoo plotseling en onherroepelijk besluit had gebracht, Haar naam zouden ze van zijn lippen niet hooren, heilig en hopeloos zou de gedachte aan haar in zijn hart besloten blijven. Gloeiend van opgewondenheid door al deze gedachten, wierp hij de dekens van zich af en sprong het bed uit. Zwaar hing hem de loomte der slapeloosheid in armen en beenen, maar zijn hoofd stond helder en zijn hart sloeg hoog en fier, de vastbeslotenheid lag om zijn mond en verleende zijn stap een ongewone veerkrachtigheid.
Hij verlangde naar school te gaan en Aart te zien,