184
—, tot haar het nederige en fiere slot „Mais ce que fai, mon Dieu, je vous le donne”.
Even huiverde zijn ziel terug voor de transpositie —, was dat geen Godslastering? —, doch de begeerte, in haar oog te schitteren, haar te boeien, was 't maar even —, drong al het andere terzij —, in een duizel stond hij op, bracht met moeite een aankondigend woord rustig uit, keek haar één kort oogenblik aan, als om te zeggen; „alles wat ik zeggen ga, is voor jou ’ , en nadat
hij in de doodelijke, bijna-ontstelde stilte rondom hem, zoo diep en vervoerend van hartstocht had zijn stem geklonken, het vers ten einde had gebracht —, keek hij haar weer aan en zijn blik had denzelfden zin.
En dadelijk daarop nam hij afscheid en ging heen, gevoelend dat dit het juiste oogenblik was, met een onderscheidende helderheid, die hem zelf verbaasde.
Hoog hing de maan boven het groen-geel koren, scherp-wit blonken de verre landhuisjes, onder het zware donker van hun dak —, een klarinet zond zijn zoet-vertwijfelden lokroep uit in den stillen lichten avond —, tusschen het graan, terzij van den weg, liet hij zich neervallen en schreide van smart en verrukking en verlangen.
Nu wist hij het, waarnaar hij had gesmacht tevergeefs, wat hem zoo lang als uit omsluierde verten had toegelonkt —; toen hij gisteravond half-bezwijmd, als doodelijk gewond in het vochtige koren was neerge