183
hij was niet belachelijk —, en nu, nu bemerkte ze ook weer alles, wat er in hem omging, zijn schrik en zijn uitzinnige verrukking, want haar heerlijk-rood mondje vertrok k'rampachtig, als deed ze moeite om niet in plagend lachen uit te barsten, en nog even keek ze hem aan, in de spiegel, uitdagend, triomfeerend —, en het was hem, als bond ze hem met dien eenen blik, tot haar slaaf, voor eeuwig.
Berthold had nu zijn voordracht ten einde gebracht, er werd zacht geklapt, hij maakte lachend, schertsende buiginkjes naar links en rechts en ging daarna weer, met zijn veroveraars-blik, naar Enny terug. Triomf gloeide in Ben’s hart —, om wat de ander zich verbeeldde, en om wat hij wist. Even te voren had hij van rampzaligheid liefst weg willen wezen, nu voelde hij zich krachtig en fier, en vol ongeduld v/achtte hij, tot hem zou worden gevraagd, verzen te zeggen. Mevrouw wilde altijd Verlaine van hem hooren, En dan zou hij nu uit „Sagesse" —, dat vurige, krachtige, vol verheven hartstocht „O mon Dieu”, dat zou hij zeggen. Hij had het eens eenmaal nog gedaan, weken geleden, zelf bevend, nauwelijks in staat zich te beheerschen, zóó ontroerd van die over-teedere Godsvereering, van die boven alles groot-sche nederigheid. Nu zou hij het anders zeggen, nu voelde hij het anders: zij was de God. Tot haar zou hij het richten: „Vous m’avez blessé d'amour", en tot haar: „Votre crainte m'a frappé”, en tot haar de belijdenis van zijn onwaarde en zijn onvolkomenheid