181
zich in de zoetere rozengeuren, en door de boomtoppen ruischte het geheim vol, Hoe gaarne was Ben alleen dien duisteren tuin ingegaan —, om met de overweldigende, de hartomstrikkende geuren ook de gedachte aan haar in te ademen, om in donker haar beeltenis als met oogen te liefkoozen, als met handen te streelen, maar hij moest stilzitten en luisteren, terwijl Berthold een stuk van zijn „historisch treurspel” voorlas —, na zakelijk en zonder ophef verteld te hebben dat hij het motief der handeling had ontleend aan heel oude papieren in hun familie-archief. Weer die steek, dat wrange gevoel in zijn hart, als was de mededeeling hoonend en tartend tot hem gericht —, als om hem gced te doen voelen, dat hij niets was, niets had, geen familie-archief, geen familie zelfs. Hij dacht aan zijn „familie” thuis, aan Bekkie met dikken Sam, aan tante Rebecca en „oome” Levie even aan Juutje — maar aan haar wilde hij niet denken —, het maakte te veel, te tegenstrijdige en verwarrende gevoelens in hem los —, hij moest nu luisteren, hij moest kunnen antwoorden, als de gastvrouw straks gelijk gewoonlijk wilde „nabetrachten”, zij was immers ook zoo met Berthold ingenomen, zei Aart, al toonde ze hem niet zulk een voorkeur — hem-zelf zoo volkomen over het hoofd ziende — als haar dochter deed. Want na dien éénen blik, zat ze weer in dezelfde houding, bijna met den rug naar hem toe, schoon Berthold niet meer naast haar zat, doch stond in het midden van den kring —, en hij