180
wat Aart dien middag blijkbaar verkeerd had begrepen, daarna terugvallend in somber zwijgen, rusteloos van nijd en een wrang-zoet vreemd verlangen. Maar hoe kon hij verlangen naast dat meisje te zitten, tot wie hij geen woord zou hebben weten te zeggen —, hij moest blij en dankbaar zijn, dat ze zoo hardnekkig den anderen kant opkeek, dat hij blijkbaar niet voor haar bestond en dat hij ongezien, onbedwongen naar haar mocht zitten staren.
Daar ineens, op ’t ongedachts, keerde zij zich naar hem om, en een heete bloedgolf stroomde hem uit het hart naar de slapen, weer terug, hij trilde van den schok tot in zijn beenen toe, de heftige ontroering trok hem alle kleur en warmte uit het gezicht —, en zij keek hem aan met een glimlachje, en uit haar oogen — van een blauw als Aart’s oogen, maar dat violet leek in haar bleekte, met den rooden mond, onder het vreemde schemerlicht — schoot een blik, zóó beteekenisvol, alsof ze, van hem afgewend, voortdurend aan hem had zitten denken. Zóó stellig scheen die blik dat uit te drukken, dat Ben onwillekeurig, vóór hij het bedwingen kon, half oprees uit zijn stoel, als om naar haar toe te gaan, maar op dat oogenblik keerde ze zich weer naar Berthold —, en beschaamd, trillend alsof hij wankelde, diep vernederd in het besef van zijn eigen belachelijke aanmatiging, ging hij weer zitten.
Het licht werd aangestoken —, maar de tuindeuren bleven open, de krachtige reuk van de jasmijn mengde