179
uit zich weggedrongen. Ze was zoo schrikbaarlijk mooi, zag hij, en verwenschte, nu hij weer zat, zijn eigen onbehouwen lompheid, Wat moest ze wel van hem denken, Hij had geen woord weten te zeggen, haar nauwelijks de hand durven drukken, haar maar aangestaard, gebogen als een boer. Zijn hart klopte, van waar hij zat, kon hij haar steelsgewijs bekijken, zonder dat zij hem zag, haar stralend rosblond haar, het edele blank van haar teer en bleek gezicht, waarin de smalle mond beweeglijk, kersrood over blinkende tandjes, den tengeren hals, fier en onbedekt uit haar japon van het allerbleekste zijden groen, de handjes bekoorlijk en onwaarschijnlijk als prinsessenhanden in sprookjes half-schuil onder overhangende kanten, O, hij kon kijken, zooveel hij wilde, zoolang hij wilde, zonder vrees dat ze zou omzien naar hem en hem betrappen en verlegen maken —, na den glimlach der begroeting had ze hem geen blik meer gegeven. Onopgemerkt, een uit tientallen, uit honderden misschien, die schrikgeslagen stom hadden gestaan voor haar schitterende schoone jeugd, was hij aan haar oog voorbijgegaan —, met Berthold alleen praatte ze, schertste ze, naar hem onophoudelijk was haar gezicht toegekeerd, en hij, de fat in zijn smoking, hij zat daar zoo rustig en leidde een blijkbaar onderhoudend gesprek in volkomen zelfbedwang, als had hij haar jarenlang gekend. Verbeten van jaloerschheid voelde hij zich, een oogenblik oplevend om de verklaring die hij zich schuldig meende, te geven van