178
van voorgevoelde zomernachts-zaJigheid nam hij zich voor langs dezen zelfden weg terug te keeren,
Tegen half negen kwam hij bij de Van Erps, ze zaten juist aan de thee in de tuinkamer, zwaar geurde het rozenperk tegenover de wijd open deuren. Hij voelde zich nu niet meer onbeholpen en de knecht keek hem niet meer aan, zijn komen als gast gewend, ze hadden zich tegenover elkaar den juisten maat van onpersoonlijke vriendelijkheid eigen gemaakt —, maar bij het binnenkomen waren zijn gedachten, aan de bekoring van natuur en avond onttrokken, plotseling teruggegaan naar zijn gesprek met Berthold en Aart —, en hij vroeg zich af, of Berthold er al zou zijn, en hoe Aart hem ontvangen zou, en zoodra hij Berthold in het oog kreeg, voelde hij weer een steek van jaloerschheid en wrevel, de fat was in smoking, had dus blijkbaar hier gegeten —, zonder dat Aart het hem had gezegd, zonder dat hij ook was gevraagd —, zijn felle jaloerschheid was niet, omdat hij zoo graag kwam eten, maar omdat hij dien Berthold had willen toonen, dat zij-beiden hier op denzelfden voet behandeld werden, Daar zat de aanmatigende aap naast Aart’s zuster en gedroeg zich als een volleerd salonheer, en was zoo slank, zoo voornaam en fijn met zijn glinsterend blond haar —, doch nu mocht hij er zich niet mee bezighouden, nu werd hij aan het meisje voorgesteld —, en op het oogenblik, dat hij haar in het gelaat keek, voelde hij iedere verdere gedachte en overweging als op slag