177
liep zacht-fluitend, een spotlachje om de gespitste lippen en in de oogen, verder, hij achtte het gesprek geëindigd, ook Aart zei niets meer —, even later nam Ben afscheid bij een zijstraat —, de twee anderen gingen verder, maar Aart’s „tot vanavond”, had toch hartelijker geklonken en zijn handdruk was als altijd geweest.
Toch was de rust nog niet geheel en al in Ben teruggekeerd, toen hij zich op weg begaf dien avond —, maar eenmaal buiten de winkelstraten, waar de menschen voor hun open deuren stonden of rustig blootshoofds drentelden in den zoelen avondlucht, echter telkens opgeschrikt en geërgerd door de benden opgeschoten jongens en meiden, die stoeiend en elkaar nazittend de vredigheid verstoorden —, eenmaal buiten dat alles en op den achterweg, langs het dorp met zijn hoofdlanen en villapark om, den weg, dien hij vaak insloeg als hij alleen wilde wezen, voelde hij zich door den vrede van den zomeravond terstond en algeheel in bezit genomen. Hij ademde als met één tocht zijn bekommering uit, dacht niet meer, wilde nu alleen rondzien, vrede indrinken, den avondwind voelen, genieten met al zijn zintuigen. De zon was nog niet onder en reeds stond doorschijnend wit als een vlies de volle maan boven den horizon gerezen, het groengeel graan golfde en ruischte aan weerskanten van den zandweg. Straks zou de maan hooger zijn, zilver stralen het akkerland —, dan zou ditzelfde ruischen nog plechtiger klinken en in een opgolving
12