176
heb dus de eer aan de toevallige omstandigheid van wat jij noemt „mijn talent” te danken?”
„Ja — wat dacht jij dan?” antwoordde Berthold koel, „dat ik zoo maar klakkeloos ineens van principe was veranderd?”
„Principe!” schamperde Ben, heet, „en welke zijn dan wel die ras-eigenaardigheden, die een Jood door zijn „talent” of zijn „geest” zoo noodzakelijk kwijt moet raken?”
„Schreeuwerigheid bijvoorbeeld”, zei Berthold scherp.
„Willen we nu niet liever over wat anders praten, lui?” kwam Aart, sussend, „de zaak is immers van de baan, Ben wil niet in de club, daarmee uit. Laten we in vredesnaam van al die precaire dingen afblijven. Een gevoel is een gevoel, en een vooroordeel is een vooroordeel, je kunt er werkelijk niet veel aan veranderen,”
„Als je mensch wilt heeten, als je hoopt, eenmaal kunstenaar te worden!” hield Ben vol, geprikkeld —, hij had gewild dat Aart zijn partij had gekozen en een somber wantrouwen blies hem in, dat Aart eigenlijk heimelijk meer aan Berthold's kant stond. Aart bloosde hevig, hij meende dat Ben's zijdelingsch verwijt tot hem was gericht, Ben begreep het en het verwarde hem, maar hij dorst er niet verder op ingaan, niet nog meer verwarring teweeg brengen, hij zou het wel eens later met Aart alleen uitspreken. Berthold, tusschen hen in, de langste van de drie,