174
heerscht uit, plomp, uit de volheid van zijn wrok en verbitterde jaloerschheid.
„Wat hij tegen jou deed, was natuurlijk heel kleingeestig van hem —, maar we hebben er na dien eenen keer eigenlijk nooit meer over gesproken en in andere dingen waardeer ik hem toch wel bijzonder, en dat zou jij zeker ook, als je hem beter kende."
„Ik verlang heelemaal niet, hem beter te leeren kennen", mokte Ben, koppig en onwillig, zelf voelend dat hij er verkeerd aan deed.
„Daar zal hij ook wel niet zoo'n bijzondere behoefte aan hebben", antwoordde Aart, ietwat koel, en er bleef een ongewone stroefheid in hun spreken, totdat ze voor dien middag scheidden.
Maar om vier uur was alles vergeten —4 toen Ben uit school kwam, scheen Aart al Berthold te hebben ingelicht —, die nu op hem toetrad met uitgestoken hand en een glimlach, ietwat geforceerd en genadig, meende Ben in zijn overgevoelig wantrouwen, en ze gingen alle drie tezamen de poort uit, Berthold in het midden en terwijl hij daar zwijgend liep, afwachtend, het den ander overlatend een gesprek te beginnen, een verklaring te geven, had hij, als zoovaak, een vluchtig visioen van zichzelf jaren terug, een arm, vies jongetje, schichtig sluipend langs de kuizen, een favus-kap onder een vale, wollen muts, terwijl de tuinen vol bloemen uitgeurden in de zomerlucht —, en hij kon niet beletten, dat een flits van trots en vreugde door hem heen sloeg, omdat hij nu hier ging,