173
Ben kreeg een kleur, in het gevoel, dat hij iets mals, iets overdrevens en bemoeierigs had gezegd.
Ze gingen even zwijgend, toen weer Aart:
„Luister eens, Ben, Je weet, dat ik sinds eenigen tijd in het bestuur ben van de letterkundige club, met Van Herwerden onder anderen. Moeder is erg met Van Herwerden ingenomen en heeft hem ook gevraagd voor vanavond, Dat wou ik je maar even zeggen, zie je. Je kunt nu natuurlijk niets meer tegen hem hebben, omdat hij toen ik het van den winter vroeg, dadelijk goedvond dat je in de club kwam, maar ik weet, dat jullie toch nog niet tegen elkander spreken -—, laat ik je nu straks om vier uur even bij elkaar brengen, dan kun jelui nog eens uitpraten en sta jelui elkaar vanavond niet zoo raar aan te kijken.”
Ben zweeg —, hij voelde zich ineens verdrietig, jaloersch, verongelijkt. Waarom moest nu mevrouw Van Erp weer dadelijk met dien Van Herwerden ingenomen wezen? En waarom hem vragen, terwijl ze hem nauwelijks kende? En Aart ook, die zijn vriend was en precies wist, wat die ellendige Berthold hem had aangedaan —, en nu rustig sprak van „even met elkaar uitpraten” en elkaar vanavond ontmoeten. Hij voelde zich vol bitterheid en jaloerschen onwil.
„Hoe vind jij Berthold van Herwerden?”
„Ik mag hem wel, hij heeft iets heel aparts —, veel aardigs ook, niet in het begin, als je hem pas leert kennen, maar later.”
„Ik vind hem een beroerling”, barstte Ben onbe-