170
samen. Of Juutje wellicht nog meer „meekreeg", dan ze getaxeerd hadden, oï ze ineens meer ontzag hadden voor den ouden koeienkooper en niet meer zoo zeker als tevoren van zijn toestemming waren, nu hij hun schamel boeltje had gezien — Ben wist het niet, maar het samenzijn met zijn gezin werd hem vaak onhoudbaar. Dan verbaasde hij zich zelf ook wel over zijn hardnekkigheid —, hij was als kind gemakkelijk te leiden geweest en had nooit een bijzonder sterken eigen wil aan den dag gelegd. En er waren toch wel dagen dat hij Juutje allerliefst vond —, doch ze was en bleef buiten de innigheden van zijn wezen, buiten zijn aandoeningen en verlangens en vertwijfelingen, en als hij 's avonds laat of heel vroeg in den morgen op zijn kamertje zat en zijn liedjes ontwierp in weifelende tastende woorden, de liedjes van zijn aandoe» ningen en zijn verlangens en zijn vertwijfelingen, dan dacht hij heelemaal aan Juutje niet meer. Vaak echter zat hij beneden met haar alleen in het warm halfdonker van den ondergaanden zomerdag — vader en moeder liepen een straatje om, Bekkie had Saartje te spelen meegenomen naar de zusjes van dikken Sam, haar vrijer, het was alles duidelijk zoo aangelegd om hem met Juutje alleen te laten — en dan fluisterde ze overmoedige, uitdagende dingen, die hem een hitte door het bloed joegen, zoodat hij in denzelfden toon en erger antwoordde en dan deed zij weer beleedigd en wilde hem schertsend te lijf, dreigde hem aan zijn ooren te trekken en drong zich tegen hem aan en