169
plannen voor Juutje zoo maar voetstoots op te geven, had de oude Nachbar toegestemd. Eéns was hij, van Vrijdag tot Maandag, komen logeeren bij de Hen-dersons en op Sabbath, na den middagdienst in de Synagoge, met Ben's vader mee naar huis gekomen. Juutje was er toen ook geweest, hoopvol en vrij-moedig-gemeenzaam met Ben, alsof de tegenwoordigheid van haar vader haar kansen verbeterde en terwijl ze rondom de witbekleede tafel zaten en koffie dronken met boterkoek en schijnbaar in onbevangen gezelligheid, als gold het een gewoon Sabbathbezoek, over alledaagsche dingen spraken, had Ben duidelijk gevoeld, dat de heele samenkomst op hem was aangelegd, om hem in het nauw te drijven en te dwingen tot een besluit. De gedachte prikkelde zoozeer zijn trots, dat hij nauwelijks rustig kon blijven zitten en meepraten, heftigen afkeer voelde hij voor dien dikken koeienkooper, met zijn spotlach, zijn brutaal-hoonend rondzien in hun woonkamer, zijn protserig praten over zijn handel en zijn huis daarginds. Meende hij hem daarmee te lokken? Zijn eigen familie scheen het te denken —, maar Juutje, door haar verliefde angstvalligheid beter radend wat er in hem omging, had gevoeld dat haar vaders bezoek haar eerder nadeel dan voordeel had toegebracht en was er, nadat de oude man vertrokken was, met geen woord meer op teruggekomen.
Tot zijn moeder toe, die zuchtte en verwijtend keek, spanden de anderen echter allemaal tegen hem