168
er hem over te willen, te durven spreken, maar menigmaal speurde hij in het broeiend zwijgen, in een zijde-lingschen steek, een schijnbaar-achteloos woord vol bedoeling hun geprikkeldheid en hun ongeduld, Juutje zag bleek, zonder dat hij het met stelligheid wist, gevoelde hij dat ze tegen zijn moeder en zijn zusje voortdurend klaagde, de Hendersons namen een koele, afwachtende houding aan, er kwamen brieven uit Amsterdam, waarin tante Rebecca blijkbaar over de zaak schreef, die althans met eenig vertoon voor hem verborgen werden gehouden, En ofschoon dat gestadig spannend aandringen hem soms tot stikkens toe benauwde, prikkelde tot drift, die hij maar met moeite bedwong —, tot een besluit kon hij niet komen. Er waren dagen, dat hij Juutje niet bij zich duldde, dat hij van zijn kamertje af de achterdeur uitsloop en wegliep, als hij haar stem in het woonvertrek hoorde —, dat hij van haar gedwee-smeekende aanhankelijkheid walgde en van haar ellendig geld, de oorzaak van hun aller drijven, Ging ze toch maar naar haar vader terug —, trouwde ze toch maar met Meijer Leefsma —, maar ze wilde het een niet en het ander niet. Ze had er, na dagenlang schreien en mokken en niet eten en flauwvallerij, haar tante toe weten te krijgen, dat die haar vader zou vragen of ze nog voorloopig blijven mocht tot hulp in het huishouden —, morrend, wel voelend wat er achter zat, woedend tegen Ben, die zijn kind beleedigde en hem in zijn kind, toch ook niet van zins zijn toekomst