166
te beginnen, alleen zweeg omdat ze begreep, dat hij niet verlangde te spreken, alleen uit onderworpenheid, niet omdat ze zich óók in de bekoring van de lente-schemering tot mijmeren en stilzijn gedrongen voelde,
En plotseling stond hem die onderworpenheid tegen, Waarom had ze zich niet laten veroveren, waarom was ze tot hem gekomen en had zich aangeboden? Overal rondom gingen paartjes, sommigen innig-ge-armd, in teeder-fluisterend gesprek, de zalig-glim-lachende gezichten vlak bij elkaar en naar elkaar toegewend. En telkens als hij er een zag dat jong was en dat frisch was, vroeg hij zich af, of in die men-schen wèl hun gevoel voor elkander van nature één was met de gevoelens die de wind en de geuren, de broze ritselingen van het loof, de vlijmend-zoete muziekgeluiden hun aan joegen. Die hem en haar nu zagen gaan, beschouwden hen als „stil verloofd" —, en zijn familie en haar familie, ze zagen het allemaal zoo —, en Juutje zelf — maar hij....?
Onzeker en verward voelde hij zich, een wrevel klom in hem op, die hem het vrijuit en volop genieten van dezen teederen avond belette, hij had niet willen denken, hij had gedachteloos zalig willen voortgaan, uren lang, en nu kon hij zich toch aan zijn opdringende gedachten niet onttrekken. Als hij het Juutje eens zei, nu dadelijk, dat zijn gevoel voor haar niet toereikend was, niet met zijn aandoeningen en verlangens in eenheid en harmonie, dat er volheid, verrukking, overgave aan ontbrak —, zou ze hem begrijpen? Zou