165
voor het raam van het woonvertrek met roerend geduld.
Ze gingen uit. Het was schemerig en zwoel en vol menschen in de straten en in de lanen tusschen de villa’s. Tegen den avond was de wind opgestoken, zacht ritselde het jonge loof, boven de boomen was de lucht nog licht, tusschen de stammen leek het al donker. Ben voelde zich wonderlijk bewogen in het zoete licht, in den kwijnenden lentegeur. Fietsen gleden onhoorbaar over het grint hen voorbij, zoet gefluister, sleepend voetgeschuifel was overal om hen heen, de lantaarns werden al aangestoken —, bijwijlen zoefde een auto zacht schommelend uit een zijlaan te voorscheen —, dan week Juutje met een gilletje opzij en greep zijn arm en liet die pas weer los, als ze voelde, dat hij geen moeite deed haar hand vast te houden. Hij kon niet. Het verteederd voelen voor haar was weer van hem afgevallen —, van de zoete aandoeningen, die de lenteschemering hem aan joeg, de vreemde, zalig-smartelijke verlangens, waarmede de klank van piano en viool uit de hooge, lichte huizen hem vervulde, maakte zij geen deel uit, ze stond er vreemd naast en buiten, haar wezen, haar willen, haar drijven naar hem waren er niet in betrokken. Ze zwegen beiden ,maar hij voelde het duidelijk, hij merkte het aan haar voortdurend rond- en omkijken, aan de onrustige wijze, waarop ze haar voeten zette, haar dasje rechtschikte, kuchte, speelde met haar armband, dat ze van verlangen brandde om een gesprek