163
wijl ze haar gaven uitdeelde — Bekkie was teleurgesteld, al wilde ze het niet laten merken, een eenvoudige, gladde kam kwam uit het pakje, niet die met den rand van glinsterende steentjes, waarop ze had gehoopt,
„Die met de steentjes was zeker erg duur?" zei ze, aarzelend, half-verlegen en half-brutaal,
Juutje kreeg een kleur.
„Neen, maar ik vind een kam met steentjes zoo leelijk, Kijk maar, ik draag nu zelf ook alleen gladde kammen’*; ze glimlachte Ben in de oogen, hij lachte vaderlijk en genadig terug, ze wendde zich weer tot Bekkie.
„Die gladde is trouwens nog duurder dan die met steentjes. Het is een betere kwaliteit ivoor, och ja, schildpad natuurlijk, je hebt gelijk Ben! Zal ik je zeggen, Bekkie, wat het ding nog kost, niet om dit of dat, zoo maar voor de aardigheid? Vier-en-twintig stuivers kost het me!"
Bekkie’s gezicht klaarde op, ze keek er de kam nog eens op aan —, maar Ben voelde zich strak worden —, de glimlach trok van zijn lippen weg, „Vier-en-twintig stuivers" —, *t was of hij tante Rebecca hoorde —, en dan die vulgaire behoefte om precies te zeggen wat het ding had gekost! Maar hij-zelf? Had hij niet vanmiddag gedacht „een japonnetje van dertig, veertig gulden heeft ze om mij weggedaan" —, als Berthold van Herwerden het wist, zou hij wel