162
moest hebben gekost, .Maar was ze eigenlijk wel zelf zoo —, was ze eigenlijk niet maar zoo gemaakt, zoo geworden bij haar protserigen koeienkooper van een vader in een armelijk, half-Duitsch boerennest? Als hij haar leven leiding geven mocht —, dan zou ze wel anders worden. Het was heerlijk weer vandaag, windstil en zoel, lente in de lucht, de zon blonk op de gladde vijvers, het bottend loof geurde kruidig en zoet, het zand was warm, de ribesbloemen stonden op opengaan —, het zou een heerlijke avond worden, Als hij nu tegen Juutje vanavond eens heel lief was —, wat zou ze dankbaar zijn, als hij nu met haar wandelen ging en haar het kleine gedichtje voorlas, dat hij gisteren had geschreven en het haar uitlei, geduldig, en haar beproefde aan het verstand te brengen, wat hij erbij had gevoeld — wat zou ze dat heerlijk vinden. Het was toch wel heel streelend, zoo’n meiske, dat alles deed, wat je begeerde, haar haar anders droeg omdat je ’t vroeg —, dat opgemaakte geelzijden japonnetje had ze weggedaan, zoodra ze wist dat hij het leelijk vond en ’t moest haar toch stellig een dertig, veertig gulden hebben gekost! Wat een gedachte —, wat een barbaarsche gedachte was dat ineens van hem, dat het haar dertig ,veertig gulden had gekost. Wat deed het er toe? Hij was toch nog wel dertig, veertig gulden waard!
Tegen den avond kwam ze en bracht lekkers mee voor de thee, een haajrstrik voor Saartje, een nieuwe kam voor Bekkie. Hij stond er glimlachend bij, ter