161
uit de hoogte bewonderend, „en ze schijnt jou ook nogal aardig te vinden/’
Ben voelde zich tegelijkertijd gevleid en geprikkeld, Juutje steeg in zijn waardeering omdat Aart iets vriendelijks van haar had gezegd —, maar tegelijk hinderde het hem, dat Aart dat kind zoo maar dadelijk goed genoeg vond voor hem.
„Zie je haar veel?”
„Ze is elk oogenblik bij ons in huis,”
„Loopt ze je zoo'n beetje na?”
„Als Helena Demetrius”, schertste Ben —, hij wilde niet grof en onridderlijk zijn, maar toch graag ook de juiste voorstelling van den toestand geven.
Aart lachte —, en ze spraken over wat anders —, doch Ben voelde spijt om wat hij had gezegd. Juutje was toch werkelijk zoo heel lief en onderworpen. En elk oogenblik kwam ze met wat aardigs voor hem aan, met kleine luxe dingen voor zijn kamertje en zijn eigen gebruik, fijnere zakdoeken dan hij gewoon was, een geborduurde brievendoos, een boekenlegger — hij gaf er wel niet heel veel om, maar 't was lief bedoeld, En hoe snoezig gedwee luisterde ze naar zijn aanmerkingen op haar kleeren, op haar wijze van het haar te dragen. Dat blauwe japonnetje van vandaag, het gladde, eenvoudige kapsel, de hoed zonder opschik —, ze had er werkelijk zoo aardig mee uitgezien, en ze droeg het zoo voor hem, want zelf hield ze van opschik, van pluimen en strikken en broches en gespjes — waar elkeen aan kon zien, hoeveel 't wel
11