157
van vleierij en oogendienerij te worden verdacht.
Dan bemerkte hij soms, dat die stugheid werd toegeschreven aan „dichterstrots”, zijn onhandig zwijgen — als dien eersten keer — aan diepte van gedachten, zoodat zijn aanzien er door steeg —, dit zond weer een nieuwe verleiding op hem af en een nieuw gevaar: dat van het aannemen der trotsch-dichterlijke en koel-diepzinnige pose, waarmee hij hen in hun standtrots en opgeblazenheid om geld zou kunnen overbluffen en verblinden en ontwapenen, Hoe vaak benijdde hij in die verwarring zijner gedachten en gevoelens de kinderlijk-eenvoudige, argelooze opvattingen van zijn zusjes en zijn heele omgeving. Zonder schaamte bekenden zij het zichzelf en anderen, hoe hun leven en streven op maatschappelijk aanzien was gericht, dat ze het als hun hoogst geluk beschouwden, in „stand” meer dan vroeger, meer dan anderen te zijn; hoe vanzelf sprak het voor hen, dat ze ook die anderen naar hun „stand” beoordeelden, zonder dat ze ooit daarover nadachten en tobden, ooit zich afvroegen of er geen betere maatstaf was —, terwijl hij aan al die gevoelens waarin hij van ouder tot ouder was geboren en getogen, evenmin als de anderen ontgroeid, ze noch voor die anderen, noch voor zichzelf belijden dorst en heimelijk bezwaard ging onder zijn rijkdoms-ontzag en arme-jongens-vereerdheid met hun genadige vriendschap.
Zelfs tegenover den meester, zijn ouden vriend, dorst hij zich niet vrijelijk uitspreken — nog altijd in