156
vol en beschamend —, het bedrijf van de rijke beurs-heeren, de grondspeculanten, de effectendobbelaars was waarschijnlijk vrij wat troebeler. En in een wereld, die van „eerlijkheid” en „deugd” den mond vol had, zouden die geëerd en aangezien wezen, terwijl toch elkeen wist wat „zaken” waren, wat ze althans konden zijn —, en zijn vader en diens gelijken zouden in alle „eer” en „deugd” veracht en verstooten worden en hij, dit alles ziende en onderscheidende, zou ervoor bukken en de dommen, machtigen, die met hun daden logenstraffen, wat hun mond beweerde, stijven in hun kwaad? Hij wilde het niet, hij wilde niet zijn eerlijke overtuiging opofferen aan de minderwaardige domheid van anderen en aan zijn eigen ijdelheid. Zijn ijdelheid ook —, want hij kon zichzelf niet beletten, dat hem nog steeds gevoelens van angst en schaamte overvielen zoo vaak hij in het huis der Van Erps met hun vrienden samenkwam, dat hij het ellendig vond, als elkeen zijn onervarenheid in wereldsche vreugden, reizen, spel en sport, zijn onbekendheid met tafel gebruiken, met toilet en kleeding en vermaak betreffende vormen en voorwerpen, gewaar werd. Schamel en naakt, bijna schuldig voelde hij zich dan, geslingerd tusschen de neiging, tegenover vreemden voor te wenden wat hij niet was en wat hij niet had, en zijn fierheid, die elk transigeeren met het verachte maatschappelijke vooroordeel verfoeide en verbood, waarin meestal de fierheid het won en waardoor hij vaak tot stugheid en koelheid oversloeg in zijn angst