155
En terwijl hij dan zichzelf opvrat van ergernis en verveling achter den toonbank —■, zou loensche Schmoel hem de oogen uitsteken, mooi weer spelen met zijn klanten, op zijn oude plek staan op de weekmarkt, en ze zouden hem vergeten —, en alles voor de „kowed" van Bekkie en van Sam, die nog geen woord tegen Bekkie had gezegd eu we! heelemaal geen „sjiddesj" kon voorhebben.
Vaak overdacht hij die verdrietelijke dingen, vaak overlegde hij ze thuis met vrouw en kinderen —, Saartje, de jongste, sprak óók haar woordje mee —# haar had Sam voorgespiegeld, dat ze misschien leerling kon worden in zijn vaders galanteriezaak, met „vooruitzichten" —, oom Jozef was er niet voor, hij stond ook op de markt en was er niet minder om —, tante Rebecca kon niet komen, maar ze stuurde een brief uit Amsterdam, en zelfs haar man, de aangetrouwde oom, had niet kunnen laten, dwars door haar hanepooten te schrijven „niet doen, Moos, niet doen, kowed is goed, maar je kan er den pot niet van over het vuur hangen."
Alleen Ben onthield zich van allen raad. Juist omdat hij zoo vurig wenschte, dat zijn vader niet langer het boekenjoodje van de weekmarkt zou wezen, juist daarom wilde hij op de verandering niet aandringen. Weer en weer had hij besloten, zijn fierheid ongerept te bewaren geen concessies te doen aan vooroor-deelen die hij minachtte en waarboven hij verheven wilde zijn. Niets van zijn vaders bedrijf was oneer