153
midden waarvan hij stond als een benijd en aangezien man, zich heel wat gewichtiger gevoelend dan de „sjlemiels”, die zich de keel heesch schreeuwden achter hun verschoten lintjes, hoedebollen „met waterschade” en ongeregelde lappen, en die soms niet eens een stalletje, slechts een zeil op de steenen bezaten —, dit alles beviel hem, hij was erin gewend en vastgegroeid en zou er niet van hebben kunnen scheiden. Vroeger, in Rotterdam, had hij óók met „waterschade” gestaan, en met „ongeregeld”, ’t zij potten en pannen uit een failliet, of lappen met misdruk en fouten in ’t weefsel —had hij ook moeten schreeuwen en optrekken tegen de zure, wantrouwig-pinge-lende burgervrouwtjes, die hun af keer van den Jood nog niet verborgen, terwijl ze met hem handelden, hem tegen elkaar, waar hij bij stond, hoorbaar voor „smaus” en bedrieger uitmaakten, dat hij ze wel met een pan op de hersens had willen slaan —, en hem geen cent winst gunden. Tuig was het, vuilaardig wantrouwig vee, vol Jodenhaat, geel van gierigen nijd —, nooit had hij met ze kunnen omgaan, met het „minne gaajes” —, en nu hij betere klanten had, nu gingen de zaken goed —, nu had hij schik in zijn leven —, ofschoon ze hem ook op de markt vaak „Joodje” noemden, zonder kwaad te meenen trouwens, want wanneer hij ze op Sabbath ontmoette, hij in zijn nette zwarte jas en moeder in haar bruine japon met tres aan zijn arm, dan namen ze soms ’t eerst voor hem hun petjes en hun hoedjes af! Dan