151
toch heusch niet, want er zat wel niet zoo heel veel bij, maar ze was werkelijk heel lief, heel goedhartig en ze meende het zoo goed, al kon ze zich dan niet zoo bijzonder goed uitdrukken, En Ben moest vooral nog eens weer komen eten —, en, o ja, ook dat nog —, hij had immers nooit aan tennissen gedaan? Neen, natuurlijk niet, zijn geest was met hoogere dingen altijd bezig geweest, maar tennissen had toch ook zijn nut —, de tweelingen moesten het nu tegen het voorjaar leeren —, was dat niet een aanleiding en een goede gelegenheid voor hem ook —, achter in hun tuin, met Aart en de jongere kinderen tezamen? Hij wist niet veel te zeggen —, zijn hoofd was vol van tegenstrijdige en verwarde gedachten — hij nam afscheid en eer hij er aan dacht was hij thuis, De geur van de erwtensoep, die ze 's middags hadden gegeten, hing nog in het kleine woonvertrek, de lamp was neergedraaid en brandde vaal, de kachel rook asschig duf —, hij had wel graag nog een bord soep gegeten, hij had het zonder ophef kunnen nemen, het was al laat genoeg en iedereen naar bed, maar het leek hem zoo pijnlijk en zoo belachelijk en hij wilde voor zichzelf en in eenzaamheid toch nog niet belachelijk zijn. Hongerig ging hij naar bed.
In het volgend voorjaar trouwde oom Jozef eindelijk toch —, de vader van het meisje had toegegeven,