149
te brengen, zich benauwd om te wenden van de een naar de ander, terwijl er uit de verte langs de tafel statig en bedaard en langzaam opnieuw de knecht naderde met weer een vreemdsoortige schotel, en dadelijk bij hem zou zijn. Van weerskanten meende hij koele, misprijzende blikken op zich gericht te voelen, al zag hij het niet, het 1 on immers niet anders en in zijn wanhoop klemde hij zich vast aan zijn trots, hield zich met den meesten innerlijken aandrang voor, dat al hun gewendheid en gemak en wereldsche ervaring maar was door hun geld —, dat er lichter schande kleefde aan rijkdom dan aan armoede, dat hij dus niet minder was, omdat hij dit alles, wat zij bezaten, miste, dat de dingen, waarover ze spraken, waardeloos waren, hun gesprekken beuzelpraat —, dat zijn geest vertoefde in hoogere werelden, werelden waar hun armzaligheid niet naar reiken kon —, maar innerlijk voelde hij, dat hij niet ze verachtte, niet op ze neerzag, zelfs niet koel-kritisch tegenover ze stond, maar dat hij ze bewonderde en benijdde, ondanks de „hoogheid van zijn geest” en alle verhalen uit boeken en allen raad en vermaan van den meester, zijn ouden vriend.
Hongerig, ontdaan, als verstijfd stond hij na het langdurig en weelderig maal van tafel op, Zoo scherp was het besef in hem van het belachelijke van zijn toestand, dat hij meende dat elkeen het hem aanzag en hij maar liefst weg had willen gaan. Doch zijn gastvrouw o verreedde hem te blijven en de oude